Pagina's

4.7.11

Welkom

Voor de docent

Docenteninformatie

Doelgroep
Bovenbouw (9-12 jaar / jaargroepen 5-8 van de basisschool).

Lesopzet

Deze lessenserie bestaat uit 17 lessen: een inleiding, 3 lessen per godsdienst en een afsluitende les (zie schema).
De inleidende les gaat over het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Vanuit dit verhaal wordt gesproken over de medemens en verschillende geloven.

Het christendom volgt op de inleidende les over de Barmhartige Samaritaan. Bij het christendom horen drie lessen. Na het christendom komt het Jodendom, de Islam, het Boeddhisme en het Hindoeïsme (met elk weer drie lessen).

Verantwoording voor de volgorde de godsdiensten
Met het christendom wordt begonnen omdat dit ons startpunt is: de kinderen kennen het christendom vanuit de school en misschien van huis uit. De school is (protestants) christelijk.
Vanuit het christendom wordt hierna verbanden gelegd met het Jodendom (omdat het christendom hier uit voortkomt en Jezus rabbi was), de Islam (omdat deze weer een stap verder doet en veel van dezelfde personen kent in de Koran). Het Boeddhisme en het Hindoeïsme komen hierna, omdat het Boeddhisme geen goden heeft en het Hindoeïsme vele goden heeft, waar de eerste drie monotheïstische godsdiensten zijn.

Na deze lessen wordt afgesloten, waarbij terugkoppeling door de docent van groot belang is. Centraal staat wat geleerd is over de verschillende godsdiensten en welke koppelingen te maken zijn tussen deze godsdiensten: zoeken naar gemeenschappelijke normen en waarden (waarbij ‘naastenliefde’ een thema is dat wederom centraal staat).

Thematiek en verbanden
Er is gekozen om verbanden te leggen tussen de godsdiensten, waarbij de volgende gemeenschappelijke elementen aan bod komen per godsdienst:

- Een globale lijn van de godsdienst/levensbeschouwing
- Goden of belangrijke personen
- Wetten of richtlijnen
- Dagelijks leven (uiting van geloof)
- Naastenliefde


Het is van belang dat de docent de verschillende godsdiensten behandelt met respect voor eigenheid van het geloof/de levensbeschouwing. De docent behandelt de godsdiensten dus niet enkel vanuit het christendom, maar legt wel verbanden hiermee.
De gebruikte bronnen zijn vermeld in de literatuurlijst.

Praktisch
Per les worden tijdsindicaties voor de verschillende onderdelen gedaan. Er worden aan het eind van de les verwerkingen voorgesteld en suggesties gedaan voor materialen.

Inleidende les

Inleidende les

Achtergrondinformatie
Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan komt voor in de Bijbel en in de Koran. Per geloofovertuiging wordt het verhaal verschillend benaderd. Hierbij gaat het om ‘je naaste liefhebben’. Daarnaast zal gekeken worden naar de ‘naasten’ van de andere Wereldgodsdiensten.

Het verhaal wordt verteld door Jezus aan een Schriftgeleerde. Deze vroeg aan Jezus wat hij moest doen om het eeuwige leven te mogen leven. Jezus vraagt hem wat er staat geschreven in de heilige geschriften. Hij vertelt over de geboden en over het belangrijkste gebod over de naaste liefde. De vraag van de Schriftgeleerde is wie zijn naaste zijn. Als reactie vertelt Jezus het verhaal. De Joden in die tijd vonden alleen hun eigen volk hun ‘naaste’. Zij werden jaren lang onderdrukt door andere volken. Toch moest de Schriftgeleerde eraan toegeven dat hij de hemel zou kunnen bereiken door het in praktijk uit te voeren. De Christenen hebben uit dit verhaal de les getrokken dat zij ook iedereen zouden moeten liefhebben en helpen indien nodig, ongeacht de achtergrond, sekse en ras.

In de Koran moeten ook gelovige moslims het soms ontgelden. Sommige ‘gelovigen’ pretenderen in Allah te geloven maar zaaien in werkelijkheid verderf op aarde. Deze huichelaars zijn te vergelijken met de Schriftgeleerden en Farizeeën, die door Jezus gehekeld worden. Anderzijds hoeven zij die geen kans kregen tot het ‘ware geloof’ te behoren niet zonder meer veroordeeld te worden. Het verhaal van de ‘goede Samaritaan’ is hiervan een bekend voorbeeld. In de Koran lijken onderdrukten die niet de goede weg gewezen werd op vergeving te kunnen hopen.

Inleidende les

Inleiding:
De leerkracht leest het volgende verhaal voor.
"Ik ben Eva en ik wil alles weten van de verschillende geloven. Ik ben zelf Christelijk, maar omdat wij in een land wonen waarin mensen wonen met verschillende godsdiensten, wil ik daar ook wat over weten. In de lessen die hierna komen, gaan we het hebben over de vijf wereldgodsdiensten: het Christendom, het Jodendom, de Islam, het Boeddhisme en het Hindoeïsme. Maar ik ben ook wel benieuwd wat jullie daar nu al over weten!"

Kern:
De kinderen maken gezamenlijk een woordweb van de verschillende godsdiensten. Dit kan in een kringopstelling gebeuren of dat er op het bord een woordweb wordt gemaakt. Het is aan de leerkracht wie de verschillende woorden opschrijft.

Afsluiting:
Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan wordt voorgelezen (Lucas 10: 30 – 37). Na het verhaal zal er worden gevraagd waarom dit verhaal is voorgelezen. Bij het verhaal gaat het er namelijk om dat je niet alleen naar je eigen type mensen (‘ons soort mensen’) kijkt, maar dat je ook naar anderen omkijkt, dus ook dat je beslist wie je naasten zijn.

Vragen die hierbij gesteld kunnen worden:
• Wat deed de barmhartige Samaritaan? Wat zou barmhartig betekenen?
• Hoe reageerden de priester en de Leviet op de man langs de weg? En de Samaritaan?
• Hoe hadden jullie geholpen?
• Als iemand in je buurt hulp nodig heeft, geef je dit dan?
• Wie is jouw ‘naaste’?
• Hoe vindt je het als mensen elkaar ‘laten liggen’ (niet helpen of onaardig tegen elkaar doen) omdat iemand ‘anders’ is?
• Kun je daar voorbeelden van noemen, misschien van in je wijk?
• Hoe kijken jullie aan tegen mensen die anders zijn dan jij? Zijn dit voor jou ook je ‘naasten’?

Christendom - les 1

Les 1
God en belangrijke personen: God is EEN en veelzijdig…

Voor de leerkracht:


In het Christendom is God de enige God. Dit zegt God van Zichzelf in de Bijbel (vgl. Deuteronomium, hoofdstukken 4, 6 en 32 o.a.).
Het Christendom is dus monotheïstisch – er is één God.

Jezus Christus is een belangrijke persoon in de Bijbel: de vleesgeworden Zoon van God die de mensheid in verbinden wil brengen met de Vader, en hierbij de Heilige Geest belooft (vgl. de Evangeliën en Handelingen). Hier is een link te leggen naar de zogenaamde Drie-eenheid.

Let wel, deze benaming komt in de Bijbel niet voor! Wel komen voor: ‘In de Naam van De Vader, de Zoon en de Heilige Geest’ (Mattheüs 28:19). ‘Naam’ betekent in de Bijbel meestal de persoon die daarin geopenbaard is, dus zou kunnen worden gezegd ‘In de Persoon van….’.

Er zijn enkel aanwijzingen voor de eenheid, zoals in 1 Johannes 5:7: ‘Er zijn dus drie getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één.’
Het ‘Woord’ komt in het Evangelie volgens Johannes 1: 1-5 ook voor: ‘1 In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Het was in het begin bij God. 3 Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. 5 Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’
Hiermee wordt naar Christus verwezen.
Zo zou men kunnen zeggen dat door Jezus’ eenheid met de Vader en de Geest een Drie-enige God is.

Dit is te lastig om zo aan de kinderen uit te leggen, het is niet wenselijk verwarring te zaaien.
In de les voor de kinderen is daarom gekozen voor een andere benadering, waarbij God = EEN centraal staat en de koppeling naar de persoon Jezus Christus en de persoon van de Heilige Geest naar voren komt, zonder verwarring te brengen.
Het verhaal hierbij wordt vanuit het oogpunt van een kind verteld.

Voor de kinderen:

Verhaal en bespreken hiervan (15 minuten)

Verhaal (brief)

Hoi, ik ben Petra. Mijn naam is afgeleid van ‘Petrus’ – dit betekent ‘onwankelbare rots of betrouwbare’. Ze zeggen weleens dat je als een rots in de branding kunt staan. Daarmee willen mensen zeggen dat je vast staat en niets kan jou omver krijgen. Je staat namelijk heel vast.
Nou, mijn naam zegt wel iets over mij! Ik word niet zo snel omver geblazen, en ik sta heel vast. Dat komt omdat ik vertrouw op Iemand die zelf ook is als een onwankelbare rots en betrouwbaar is: God.

Wie is dan mijn God? Het is de God van de Bijbel, van de Christenen. God zegt van Zichzelf dat Hij de enige God is. Hij is te vertrouwen en ik kan alles bij Hem kwijt. Daar zal ik later nog iets meer over vertellen in een volgende brief.

Bij God in de Bijbel moet ik ook altijd meteen denken aan Jezus Christus. ‘Christus’, daar komt weer het woord ‘Christenen’ een ‘christelijk’ vandaan. Ja, ik heb wel wat met uitpluizen wat woorden betekenen!
Christus is niet de achternaam van Jezus, dat denken mensen weleens. Nee, Christus is zoiets als ‘Redder’. Hij redt ons en wil ons dichtbij God, de Vader brengen.

Je hebt dus God, de Vader, en Jezus, de Zoon.
Dan heb je ook nog de Heilige Geest, Iemand die jou eigenlijk helpt om beter te leven. Want God vraagt het van ons, Jezus deed het voor, en de Heilige Geest is Iemand die jou daar weer dagelijks mee kan helpen.

In mijn volgende brief zal ik iets meer vertellen over wat het nou betekent voor mij om hierin te geloven. Groetjes, Petra" (de rots!)

Om over te praten

Wat vertelt Petra ons veel over betekenis van haar naam en andere namen!

Wat betekent haar naam, rots? Wat zegt dit over haar?
Ze vertelt ook iets over God, wat vertelt ze?

Bij God moet Petra ook aan andere belangrijk personen in de Bijbel denken, wie zijn dat?

Weet jij wie Jezus is in de Bijbel? Wat voor naam is Christus?
Over de persoon Jezus kan langer worden doorgepraat, aangezien Jezus Christus de persoon is door wie het Christendom ‘Christendom’ heet!

En wat doet de Heilige Geest?


Verwerking + Doen! (20 minuten)

Laat de kinderen opschrijven waar ze aan denken bij het woord ‘God’.
Bespreek dit en zeg hierbij dat alles goed kan zijn, omdat het voor jou persoonlijk zo is.

Bespreek dit met elkaar: voor de een zal God ‘Vader’ of ‘liefde’ zijn, voor een ander ‘streng’.
Leg hierbij uit dat God zo veel eigenschappen heeft, dat dit allebei waar kan zijn.

De leerkracht legt uit dat God zichzelf de Enige noemt. Petra noemde toch ook Jezus Christus en de Heilige Geest? Je zou het ook kunnen zien als met water.
Met water kun je drie dingen: vloeibaar water is om in te zwemmen, als water kookt dan verdampt het (je hebt dan stoom of damp), als water bevriest heb je ijs om op te schaatsen of om ijsblokjes in je limonade te doen in de zomer!

Doen!
Deze drie verschijningsvormen laten zien aan de klas.

Materialen:
• Een fles of doorzichtige kan gevuld met water;
• IJsblokjes
• Een fluitketel of waterkoker



Wie weet er nog meer vormen van water? (regen, sneeuw, dauw op gras)
Zo zie je dat iets nog steeds water blijft, maar dan in andere vorm. Want: als damp afkoelt, wat gebeurt er dan met damp? (het wordt weer water, het druppelt)
En als ijs smelt? (dat wordt ook weer water!).

Zo is het ook een beetje met God: hij is de enige, maar Jezus Christus en de Heilige Geest horen er ook bij en zijn onderdelen:
Ze zeggen als je gedoopt wordt bij de Christenen (dit is om te zeggen dat je bij God hoort) dat ze je willen dopen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Net als ijs, drinkwater en damp allemaal bij water horen, horen de Vader, Zoon (Jezus Christus) en Heilige Geest ook bij elkaar. Ze hebben allemaal hun eigen rol maar horen bij elkaar: je kan zeggen dat God daarom ‘EEN’ is.

Dat probeerde Petra uit te leggen. Je mag hierbij onthouden dat ze allemaal belangrijk zijn! Bij God denk je dus aan God als Vader die je kunt vertrouwen, aan Jezus Christus als Zoon die jou redt en aan de Heilige Geest die jou helpt en troost.

Christendom - les 2

Les 2
Richtlijnen in het Christendom.

Voor de leerkracht:

Naar aanleiding van les 1 is besproken dat God de Enige God is en dat Jezus Christus en de Heilige Geest hier bij horen aan de hand van water en de eigenschappen hiervan.
De leerlingen hebben ‘Petra’ leren kennen. Zij komt ook in les 2 weer naar voren.

Deze les gaat over de richtlijnen in het Christendom, de dagelijkse praktijk voor Petra.
Hier hoort bij: bidden, Bijbelverhalen en ze vertelt kort iets over de kerk.

Les 3 zal gaan over naastenliefde, hier wordt in les 2 al een aanzet voor gegeven.

Voor de kinderen:

Brief van Petra lezen (10 minuten)

Hoi, hier ben ik weer, Petra. In mijn vorige brief legde ik iets uit over God. Ik zei dat Jezus Christus hier iets mee te maken heeft. Hij heeft op aarde geleefd om ons te laten zien hoe je goed kunt leven.

Dit vind ik erg bijzonder. Daar kun je over lezen in de Bijbel.

Nu wil ik iets vertellen over wat het betekent om christen te zijn, voor mij.
Deze brief wordt wel wat langer hoor!

Ik zei al dat ik alles kwijt kan bij God. Weet je hoe ik dat doe? Dat doe ik door te bidden.

Bidden is voor mij zoiets als ‘praten met God’. Het houdt in dat ik elke dag even met Hem praat: bij het eten bid en dank ik voor het eten omdat ik geloof dat God voor mij zorgt, daar wil ik Hem dan voor bedanken.
Bidden doe ik ook als ik ga slapen, dan bid ik niet alleen voor mijzelf om rustig te worden en mijn dag met God door te nemen, maar ik bid ook weleens voor anderen, die het moeilijk hebben. Het is eigenlijk bidden en danken: bidden is vaak vragen om dingen, en danken is God bedanken voor hoe Hij voor ons zorgt.

Ik bid niet voor een nieuwe fiets of zo, maar voor waar ik mee bezig ben. Niet echt voor dingen die je aan kunt raken dus, maar meer voor dingen die je niet aan kunt raken of kopen!
Ik bid weleens voor mijn oma die al zo oud is, of voor de buurvrouw die zwanger is dat alles maar goed mag gaan. Dat doe ik omdat ik God vertrouw.

Bidden doe ik door mijn ogen te sluiten en dan aan God te denken. Soms bid ik hardop, of zing ik een liedje erbij over God. Soms bid ik stilletjes. Het kan op verschillende manieren en op verschillende plekken. Het kan ook met anderen samen.

En zondag ga ik naar de kerk. Dat ken je misschien wel. Daar komen Christenen bij elkaar om voor God te zingen en over Hem te leren. Zo leer ik God steeds beter kennen. Ook kun je veel over Hem lezen in de Bijbel: daar staan alle verhalen in over God, Jezus en de Heilige Geest.

Nu heb ik iets verteld over bidden, de kerk en lezen over God, over hoe ik dat doe.
Maar dat is nog niet alles.

God heeft in de Bijbel ook verteld over hoe wij met elkaar om moeten gaan en wat het beste voor ons is (omdat Hij voor ons het allerbeste leven wil).

Ik kan niet alles vertellen: daar is de Bijbel een veel te dik boek voor!
Maar ik kan wel voorbeelden noemen: ik doe mijn best om aardig te zijn tegen mijn ouders en niet teveel ruzie te zoeken, omdat ik weet dat ik God en mijn ouders daar blij mee maak.
Ook scheld ik niemand uit en pest ik niemand, want daar wordt niemand beter van, ik ook niet! Daar doe je alleen maar anderen pijn mee.

En als ik iets niet helemaal goed kan, als het niet lukt? Dan ga ik weer naar God, dan bid ik weer omdat ik weet dat Hij me wil helpen het weer goed te maken.

Dat was een lange brief maar nu weet je wat het voor mij betekent om christen te zijn.

Groetjes, Petra



Verwerking (15 minuten)


Materiaal:
• Een Bijbel
• Het (digi)bord.

Allereerst bekijken we een filmpje over de Bijbel:
Klik hier voor het filmpje

De leerkracht laat een echte Bijbel zien en vertelt dat deze is allerlei kleuren en maten zijn. In het filmpje wordt iets gezegd over het Oude en het Nieuwe Testament.
De leerkracht legt uit dat in het Oude Testament Jezus er nog niet was. De boeken die bij het Oude Testament horen, kennen de Joden ook. Hier hoor je meer over in de lessen over het Jodendom.
In het Nieuwe Testament kunnen we lezen over Jezus Christus. Hij gaf ons extra tips over hoe je kunt leven. Mensen die Hem wilden volgen en nu nog steeds zo leven, het daarom ‘Christenen’.

Petra in haar brief vertelt een heleboel over wat het voor haar betekent om christelijk te leven. Welke dingen noemt zij en wat betekent dit?

Om het schoolbord schrijft de leerkracht op:
Bidden - Bijbel - Kerk - Omgaan met anderen

Bij deze woorden bedenken de kinderen woorden die erbij horen (vanuit de brief van Petra, maar ook wat zij zelf bedenken).
Zo komt er een overzicht op het bord van wat het Christendom nu eigenlijk inhoudt.

Terugblik en vooruitblik (5 minuten)
Er wordt teruggeblikt naar de inleidende les bij deze lessenserie:
In het verhaal van de Barmhartige Samaritaan ging het over iets doen voor een ander, een ander liefhebben.

Er wordt vooruitgeblikt naar de volgende les: Petra had het over hoe je omgaat met anderen. Ze zegt dat hierover dingen in de Bijbel staan.

In de Bijbel zegt Jezus (Johannes 13: 34-35) ‘Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn’.

Naastenliefde noem je dit. Als je christen bent, houd je dus niet alleen van andere Christenen, of als je Nederlander bent, houd je niet alleen van Nederlanders. Je bent lief voor alle mensen, en niemand is beter dan een ander!

Daar hebben we het in de volgende les verder over.

Christendom - les 3

Les 3
Naastenliefde: Voetwassing (Johannes 13: 1-20).

Voor de leerkracht:


Het is van belang dat de leerkracht bij het onderdeel ‘Doen!’ (de verwerking bij deze les) uitlegt waarom we dit doen. Hier worden suggesties voor gedaan. Er hoort ook een lied bij, ‘Je mag er zijn’.

Achtergrondinformatie:


Het Bijbelverhaal bij deze les is het verhaal van de voetwassing in Johannes 13:

Jezus wast de voeten van de leerlingen

Johannes 13: 1-20 (Bijbelvertaling: NBV 2004)

1 Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. 2 Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden. 3 Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, 4 stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om 5 en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. 6 Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ 7 Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ 8 ‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ 9 antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10 Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’ 11 Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren.
12 Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. 13 ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. 14 Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. 15 Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. 16 Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. 17 Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt. 18 Ik doel niet op jullie allemaal: ik weet wie ik heb uitgekozen. Wat in de Schrift staat zal in vervulling gaan: “Hij die at van mijn brood heeft zich tegen mij gekeerd.” 19 Ik zeg het jullie nu al, voor het gaat gebeuren; wanneer het dan gebeurt, zullen jullie geloven dat ik het ben. 20 Ik verzeker jullie: wie iemand ontvangt die door mij gezonden is ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem die mij gezonden heeft.’

Belangrijke punten uit dit verhaal om bij stil te staan:

Dienende liefde is ook naastenliefde!

- Het wassen van andermans voeten was in Jezus’ tijd het allerlaagste werk dat mogelijk was. Eigenlijk was het werk voor slaven en vreemdelingen. Voeten zijn immers vies van alles wat ze hebben aangeraakt. Nadat Jezus’ eigen voeten met mirre zijn gezalfd en met haren gedroogd, wast hij nu andermans voeten met water.
- Simon Petrus’ protest is begrijpelijk. Dit hoort een meester toch niet te doen bij zijn leerlingen. Eerder andersom. Toch moet Petrus het zich laten welgevallen. Voeten zijn de werktuigen, waarmee mensen de weg van de bevrijding en van de Tora gaan. Het gaat hier alleen om die voeten en niet om het hele lichaam.
- Jezus legt uit, dat hij aanschouwelijk onderwijs heeft gegeven: het gaat om (het ontbreken van) hiërarchie in de gemeente van volgelingen. Niet om te heersen, maar om te dienen is de opdracht. Dat is de weg voor zijn volgelingen.
(Kind op maandag, inhoud nummer 5: toelichting week 14, 2011).

“In het Oosten waar het veel warmer is dan hier, droeg men geen kousen of schoenen, maar alleen sandalen. Het was er doorgaans stoffig, de voeten werden gauw vuil. Bij de aanzienlijken was er een slaaf, die direct de riemen van de sandalen los maakte (Mark. 1:7; Luk. 3:16; Joh. 1:27; Hand. 13:25) en de voeten waste (Zie ook Gen. 19:2; 24:32; 43:24; Richt. 19:21).
In Lukas 7:44 maakt de Heer Jezus Simon de Farizeeër er op attent dat hij dit ten aanzien van Hem heeft nagelaten. Simon was tekort geschoten in één van de eerste plichten van gastvrijheid en beleefdheid.
Bij de Paasmaaltijd in Johannes 13:1-12, waar de discipelen twistten, wie de meeste onder hen was, doet de Heer Jezus zelf dit nederige werk, de gestalte van een slaaf aannemend (Fil. 2:7).
Wij moeten dus hierin dus zien een Oosterse gewoonte, en daar een uiting van gastvrijheid en beleefdheid, een verkwikking voor de gasten. In deze streken zullen wij onze gasten onze gastvrijheid op andere wijze tonen. Maar de lering en toepassing is, dat wij (want geldt dit niet voor elke gelovige? Heb. 13:2; Rom. 12:13) er om bekend moeten staan, dat gasten en in het bijzonder de gelovigen (heiligen) vriendelijk en met zorg "gastvrij" worden ontvangen.”

(R.M.O. (1946). Voetwassing. Uit het Woord der Waarheid jrg. 1, blz. 155.)


Voor de kinderen:


Verhaal en hierover praten (20 minuten)

Verhaal voor de kinderen:


KLIK OP DE FOTO VOOR LEESBAAR FORMAAT


KLIK OP DE FOTO VOOR LEESBAAR FORMAAT


(Bron: Kind op Maandag, 2011 – week 14: dinsdagverhaal voor groep 5-8).

Om over te praten met de kinderen:


Jezus liet zijn voeten wassen door Maria in Betanië. Waarom reageerden de discipelen van Jezus zo heftig hierop?
Waarom was voeten wassen in die tijd slavenwerk?

Wat leert Jezus zijn discipelen hier?

Heb jij je wel eens belangrijker dan een ander gevoeld? Of minder belangrijk dan een ander?

In welke godsdienst wassen gelovigen hun voeten voordat ze gaan bidden? (Islam).


Doen! (15 minuten)

In groepjes elkaars voeten wassen.

Benodigdheden:
- (Afwas)teiltjes;
- Zeep/douchegels;
- Droge doeken en lappen om de voeten droog te wrijven.

De leerkracht vertelt:
Nu gaan we elkaar van dienst zijn door elkaars voeten te wassen. We laten elkaar zien dat we elkaar belangrijk vinden en ons niet te goed voor een ander voelen. Ook voelen we ons niet minder dan een ander, want iedereen doet mee!

Extra:

Lied: Je mag er zijn! (kinderopwekking nr. 180)

Een lied waarbij iedereen erbij hoort.
Leuk om te laten horen tijdens het voeten wassen in groepjes (via het digibord met beeld erbij):

Tip:
De tekst kan worden uitgedeeld om later nog eens te zingen met elkaar, waarbij de klas in tweeën wordt gesplitst bij de gedeelten ‘Wie ik?’ en ‘Ja jij!’.




Je mag er zijn (Opwekking voor kinderen nr. 180)

Refrein:
Je mag er zijn Wie ik? Ja jij!

Je hoort er helemaal bij Wie ik? Ja jij!

Had je zeker niet gedacht? Wie ik? Ja jij!

Je hoort er helemaal bij! Wie ik? Ja jij!

Couplet 1:
Ook al ben je wat verlegen, ook al lijk je ’n beetje stug
Ook al heb je vieze handen of je navel op je rug!

Refrein

Couplet 2:
Ook al flap je met je oren of ben je enig kind
Of in een kippenhok geboren, of heb je altijd tegenwind?

Refrein

Couplet 3:
Ook al kan je niets onthouden, is je geheugen net een zeef,
Ook al heb je rooie haren, en staan al je tanden scheef!

Couplet 4:
Ook al heb je slechte ogen en een hele dikke bril
Ook al heb je een hond die maar niet luisteren wil!

Refrein

Jodendom - les 1

Les 1

Achtergrondinformatie voor de leerkracht

Joden dragen vaak keppeltjes op hun hoofd. Dit doen ze uit respect voor God. Joodse kinderen gaan in de synagoge naar jesjiva. Hier leren zij over God door de TeNaCh en de Talmoed te bestuderen. De TeNaCh bestaat uit de Thora, de Nevi’iem en de Chetoeviem. De Thora is het belangrijkste uit de TeNaCh en is een perkamenten rol waarop de vijf boeken van Mozes geschreven zijn. Deze boeken zijn ook de eerste vijf boeken van de Bijbel. De Nevi’iem zijn de boeken van de profeten en de Chetoeviem zijn boeken met verhalen en gedichten. Mozes kreeg van God regels en wetten. De meeste zijn opgeschreven in de Thora, maar Mozes schreef niet alles op. Sommige regels vertelde hij gewoon door. Om deze regels niet te vergeten, zijn ze uiteindelijk toch opgeschreven in de Talmoed. De Talmoed bestaat ook weer uit een paar boeken.

In Exodus 20: 1-21 worden de tien geboden verteld. Deze geboden staan ook in de Thora, want Exodus is het tweede boek uit de Bijbel. Deze wetten gelden dus ook voor de Joden. De wetten die in dit deel van de Bijbel genoemd word, zijn:
1. Vereer naast mij geen andere goden.
2. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde.
3. Misbruik de naam van de Heer, uw God niet.
4. Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. De aarde is in zes dagen geschapen en op de zevende dag rustte God.
5. Toon eerbied voor uw vader en uw moeder.
6. Pleeg geen moord.
7. Pleeg geen overspel.
8. Steel niet.
9. Leg over een ander geen vals getuigenis af.
10. Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.

De zeven wetten van de Talmoed staan hieronder vermeld:
1. Erken dat er slechts één God is die oneindig is en het Allerhoogste Opperwezen is boven alle dingen. Vervang dat Allerhoogste Opperwezen niet door eindige afgoden, noch door jezelf noch door anderen. Dit gebod houdt ook handelingen in zoals gebed, studie en meditatie.
2. Respecteer de Schepper. Hoe gefrustreerd en boos je ook mag zijn, reageer dat niet af door je Maker te vervloeken.
3. Respecteer mensenlevens. Ieder mens is een hele wereld. Wie een leven redt, redt een hele wereld. Wie een leven vernietigt, vernietigt een hele wereld. Anderen helpen te leven is het logische gevolg van dit principe.
4. Respecteer het instituut van het huwelijk. Een huwelijk is een hoogst Goddelijke handeling. Het huwelijk van een man en vrouw is een weerspiegeling van de eenheid van God en Zijn Schepping. Ontrouw in het huwelijk is een aanslag op die eenheid.
5. Respecteer de rechten en de eigendommen van anderen. Wees eerlijk in al je zakelijke transacties. Door te vertrouwen op God, in plaats van op onze eigen slimmigheidjes en bedriegereitjes drukken wij ons vertrouwen in Hem uit als Diegene die ons onderhoudt.
6. Respecteer Gods schepselen. Aanvankelijk was het de mens verboden om vlees te eten. Na de zondvloed werd dat hem toegestaan, maar met een waarschuwing: veroorzaak geen onnodig lijden van welk schepsel dan ook.
7. Handhaaf recht. Recht is een aangelegenheid van God, maar wij hebben de opdracht gekregen om de nodige wetten te maken en die te handhaven, overal waar dat kan. Wanneer wij het kwaad in de maatschappij in de goede richting ombuigen, zijn wij als partners in het proces dat de schepping in stand houdt.

Materialen
• Verhaal Aäron
• Bijbel


Voor de kinderen
Inleiding

Hallo, ik ben Aäron. Ik ben Joods. Daarom heb ik ook een keppeltje op mijn hoofd op de foto. Dit doe ik uit respect voor God, wanneer ik bid en de naam van God uitspreek. Eigenlijk moet ik mijn keppeltje dag en nacht dragen. Ik draag hem ook als ik naar jesjiva ga. Hier leer ik over God en bestuderen we de TeNaCh en de Talmoed, onze schriften. De TeNaCh bestaat uit de Thora, de Nevi’iem en de Chetoeviem. De Thora is het belangrijkste uit de TeNaCh en is een perkamenten rol waarop de vijf boeken van Mozes geschreven zijn. Deze boeken zijn ook de eerste vijf boeken van de Bijbel. De Nevi’iem zijn de boeken van de profeten en de Chetoeviem zijn boeken met verhalen en gedichten. Mozes kreeg van God regels en wetten. De meeste zijn opgeschreven in de Thora, maar Mozes schreef niet alles op. Sommige regels vertelde hij gewoon door. Om deze regels niet te vergeten, zijn ze uiteindelijk toch opgeschreven in de Talmoed. De Talmoed bestaat ook weer uit een paar boeken. Bij ons is de jesjiva gewoon in de synagoge. De synagoge is de plek waar alle Joden bij elkaar komen. Eigenlijk is het net zoiets als de kerk bij de Christenen, want daar komen de Christenen bij elkaar.

Kern
Exodus 20: 1 -21 wordt voorgelezen en er wordt verteld dat dit ook in de Thora staat. De eerste vijf boeken van de Bijbel staan namelijk ook in de Thora.
Gesprek over: Welke wetten komen voor in dit verhaal? Gelden deze wetten ook voor de Christenen? En gelden deze wetten nu nog? Wat kunnen wij nu nog met de wetten? Kunnen jullie voorbeelden noemen van momenten dat je je wel of juist niet aan een wet houdt? Kinderen zullen dan komen met bijvoorbeeld ‘Gij zult niet stelen’. Is dat een snoepje pakken uit de snoepbakken bij de drogist, of is dat geld stelen van je opa? Of misschien wel allebei? Is het even erg? Hoe zwaar gelden de wetten nu nog? Of bijvoorbeeld ‘Gij mag niet doden’. Geldt dat alleen voor mensen, of mag je ook geen dieren doden?

Afsluiting

Maak een tekening over de manier waarop jij nu met een wet omgaat. Bijvoorbeeld een groot ‘verboden voor – verkeersbord’ met daarin een tekening van het pikken van snoepjes bij de drogist.

Jodendom - les 2

Les 2

Achtergrondinformatie voor de leerkracht


In de Thora (en zelfs in de tien geboden) staat dat iedereen op de zevende dag moet rusten, omdat God de wereld in zes dagen heeft geschapen en ook hij op de zevende dag rustte. De Joden noemen deze dag de sabbat. De sabbat begint bij de Joden op de vrijdagavond vlak voordat de zon ondergaat en is weer afgelopen op de zaterdagavond, als het weer donker is. Op de sabbat mogen de Joden geen werkzaamheden verrichten. Zo mogen ze niet schrijven, geen muziek spelen, geen computer of televisie aan hebben en niet koken. Daarom zorgen de Joden altijd dat het eten al klaar is voordat de sabbat begint. Het eten dat Joden bereiden, is koosjer. Dit betekent dat het voedsel afkomstig is van planten of geoorloofde dieren en op een bepaalde manier is bereid volgens de regels van de Joodse religie. Zo zij landdieren die gespleten hoeven hebben en herkauwen geoorloofd. Verder zijn melk, melkproducten, eieren of visproducten alleen geoorloofd als ze van geoorloofde dieren afkomstig zijn. Dieren moeten op een speciale manier geslacht worden, namelijk door met een heel scherp mes in een beweging de luchtpijp en slokdarm door te snijden. De bloedtoevoer naar de hersenen wordt daardoor gestopt en het dier raakt buiten bewustzijn. Hierdoor en door de snelheid van het snijden is koosjer slachten een van de meest pijnloze methodes. Dit mag alleen gedaan worden door Joden die er speciaal voor zijn opgeleid. Daarna moet het vlees in water en in zout gelegen hebben, om het bloed eruit te laten trekken. Het eten van bloed is namelijk altijd verboden.

De manier van bereiden is ook van belang bij koosjer voedsel. Melk en vlees moeten gescheiden gehouden worden. Zo mogen Joden geen boter op hun boterham doen, als zij er worst op nemen. Maar ook mogen zij, als zij vlees eten, geen melkproducten gegeten worden. Sterker nog, als zij vlees hebben gegeten, mogen zij geen melk in hun koffie doen na het eten. Pas na een uur mag dit weer.
Het servies, bestek en keukengerei worden of voor de melkproducten, of voor de vleesproducten gebruikt, niet voor beide. In een joods huis zal je dus dubbel bestek en servies vinden.

Op de sabbat worden altijd minimaal 2 kaarsjes aangestoken die staan voor vreugde en heiligheid. Vaak worden ook nog kaarsjes aangestoken voor de kinderen.


Materialen
• Verhaal Aäron
• 3 glazen potjes per leerling
• Verf
• Kwasten
• Kaarsjes
• Kranten om op de tafels te leggen

Voor de kinderen

Inleiding
Weten jullie nog wie ik ben? Ik ben Aäron. De vorige keer had ik jullie verteld over mijn keppeltje en over de boeken van de TeNaCh en de Talmoed! Nu wil ik jullie graag wat vertellen over de sabbat. Elke vrijdagavond vlak voordat de zon ondergaat, begint de sabbat. Dit is onze rustdag. De sabbat is weer afgelopen op de zaterdagavond, als het weer donker is. Papa, mama, mijn broertje, mijn zusje en ik eten altijd samen op de sabbat. De tafel is dan altijd heel erg mooi gedekt en het is heel erg gezellig in huis. Soms eten er ook nog anderen mee. Als het sabbat is, steekt mama altijd 5 kaarsjes aan. De eerste twee staan voor vreugde en heiligheid. De laatste drie staan voor mij, mijn broertje en mijn zusje. Mama staat altijd een dag van tevoren al in de keuken om te koken, want op de sabbat mag je niet koken. Het eten is bij ons altijd koosjer. Dit betekent dat we melk, boter, kaas en dat soort eten, niet samen mogen eten en niet samen mogen bereiden met vlees. De dieren moeten ook altijd op een bepaalde manier geslacht zijn. Deze regels staan allemaal in de Thora. We mogen geen televisie kijken of computeren op de sabbat en ons huiswerk moet ook al af zijn dan, want schrijven mag ook niet. Op de sabbat gaan we altijd naar de synagoge. Daar leest de rabbijn altijd een stuk voor uit de Thora. Rabbi betekent leraar, dus onze Rabbijn is onze leraar. Eigenlijk mag je de auto ook niet gebruiken op de sabbat, maar gelukkig gaan wij wel met de auto naar de synagoge, want lopend zouden we wel 2 en een half uur onderweg zijn. En daar is mijn zusje van 2 jaar nog veel te klein voor!

Kern
De leerlingen versieren allemaal drie potjes voor kaarsjes. De eerste voor vreugde, de tweede voor heiligheid en de derde voor jezelf. Op het eerste potje moeten alleen maar dingen komen die met vreugde te maken hebben. Op het tweede potje moeten alleen maar dingen komen die met heiligheid te maken hebben. En op het laatste potje, mogen de kinderen maken wat met hen te maken heeft. Het is wel handig om met de leerlingen te bespreken wat de woorden vreugde en heiligheid betekenen.
Het versieren van de glazen potjes doen de leerlingen met verf.

Afsluiting

Er wordt gevraagd aan de kinderen wat zij op hun potjes hebben geschilderd en waarom. Vooral over het potje over henzelf kan doorgevraagd worden, maar ook over de andere potjes kan worden doorgevraagd.

Jodendom - les 3

Les 3

Achtergrondinformatie voor de leerkracht
Het Jodendom is een monotheïstische godsdienst. Dit houdt in dat de Joden geloven in een God. Verder is Mozes voor de Joden een heel belangrijke persoon. Hij is volgens hen de belangrijkste profeet, die de wetten heeft ontvangen van God en die de Joden heeft bevrijd van slavernij en hen naar het beloofde land heeft gebracht.

Voor de Joden is het verplicht om 10% van wat zij hebben aan rijkdommen, te geven aan mensen die het harder nodig hebben dan zij.

Materialen

• Verhaal Aäron
• Verhaal ‘Het vergiftigde brood’ (bijlage 1)

Voor de kinderen

Inleiding
Zo, dit is alweer de laatste keer dat ik jullie wat vertel over mijn leven als Joodse jongen. We hebben het al gehad over mijn keppeltje, de boeken van de Joden, de sabbat en koosjer eten. Maar vandaag wilde ik jullie vertellen wat ik nou precies geloof.
Ik geloof in één God, die de wereld heeft gemaakt. Mozes is de belangrijkste profeet, die de wetten heeft ontvangen van God en die ons heeft bevrijd van slavernij en ons naar het beloofde land heeft gebracht. Met ‘ons’ bedoel ik wij Joden, want ik woon zelf natuurlijk wel gewoon in Nederland. Voor ons Joden is de gemeenschap van ons volk heel belangrijk. Iedereen heeft zorg voor elkaar. We zijn dan ook verplicht om 10% van wat wij hebben aan rijkdommen, weg te geven aan iemand die dit harder nodig heeft dan wij. Dit staat ook in de Thora. Ik krijg zelf ook zakgeld, €2,- per week. 10% hiervan is €0,20. Dit doe ik dus ook altijd meteen in een potje. Ik ben nu al twee en een half jaar aan het sparen en heb nu €26,- bij elkaar. Dit ga ik geven aan iemand bij ons in de synagoge, die familie heeft in Israel. Dan kan hij het weer doorsturen naar zijn familie. Zij wonen namelijk in het oorlogsgebied en hebben het erg zwaar. Mijn vader en moeder sturen ook vaak geld op naar Israel. Maar zij geven ook vaak aan andere mensen die het nodig hebben. Het is namelijk heel erg belangrijk om andere mensen te helpen en om te zorgen voor elkaar.

Kern

Het Joodse verhaal ‘Het vergiftigde brood’ wordt voorgelezen.

Afsluiting

Het verhaal wordt besproken. Wat is er zo mooi aan dit verhaal? Zou dit ook een christelijk verhaal kunnen zijn? Waarom wel en waarom niet?
Wat zou er nog bij de wetten van de Joden geschreven kunnen worden?


Bijlage: Verhaal 'Het vergiftigde brood'

Het Vergiftigde Brood

Islam - les 1

Les 1

Personen in de Islam

Voor de leerkracht: achtergrondinformatie

‘Islam’ betekent letterlijk onderwerpen of mooier gezegd, overgave aan God – je leven stel je in zijn dienst. In de Islam zijn hierin veel lijnen te trekken met het Jodendom en het Christendom. De profeten die in de Islam voorkomen, zijn veelal dezelfde als in de TeNaCH en in de Bijbel.
Zo is Musa: Mozes, Isa: Jezus, enzovoorts.

Het is goed om dit in het achterhoofd te houden: we geloven in wezen in dezelfde God, waarbij de Koran ook Adam kent als eerste mens, andere personen in het Oude Testament en de verhalen onderstreept. Het voornaamste verschil met het Christendom is dat de Islam niet erkent dat Isa (Jezus) de Zoon van God is. Het is echter wel een belangrijke profeet, net als andere profeten dit zijn. Het is goed als kinderen weten dat ook de moslims respect en eerbied hebben voor Isa (Jezus).

(Christenen volgens de Islam, geen datum).

God wordt in de Islam met ‘Allah’ vertaald. Zijn kenmerken zijn (onder andere!): Enige, Genadig, Schepper en Barmhartig. Hij is Degene die oordeel velt over de mensheid.
(Dr. Umar Faruq Abd-Allah, 2004; Allah.org, geen datum; KoranOnline.nl, geen datum).

Allah is het Arabische woord voor God. Het woord komt voor in de Koran en is daarom het middelpunt en fundament van het Islamitische geloof, maar wordt ook gebruikt door Joodse en christelijke minderheden in Arabisch-sprekende landen.

Mohammed, de profeet van de Islam die de Islam verspreidde, leefde zo’n 1400 jaar geleden.
In Mekka, Saudi-Arabië (de belangrijke stad in de Islam) kreeg Mohammed een boodschap van een engel namens God: er is maar één God, en dat is Allah.

Voor de kinderen:

De vorige twee lessen worden kort herhaald: Wat weten we nog over de God van de Christenen, was dit dezelfde als voor de Joden?

Brief van Soelaiman (5 min).
De leerkracht leest een brief voor:

‘Hoi, mijn naam is Soelaiman, en ik ben moslim. De Islam is mijn godsdienst. Mijn God noemen wij ‘Allah’. Dat betekent gewoon God, in het Arabisch.
Allah is vol genade, is barmhartig (dat woord kennen jullie wel van ‘barmhartige Samaritaan’), liefdevol en de enige God. Hij is de schepper van deze wereld.

De Islam is een godsdienst die in Saudi-Arabië is ontstaan. In het Midden-Oosten dus. Mijn godsdienst zie je vooral daar terug, maar in alle landen op de wereld wonen wel moslims, zoals ik.
Mijn naam, Soelaiman, kun je ook wel vertalen als Salomo. Salomo ken je misschien van de verhalen uit de Bijbel. In de Koran, ons heilige boek, komt hij ook voor. Wel meer profeten trouwens! Straks krijg je een opdracht, eens kijken of je kunt ontdekken hoe de profeten uit de Koran in het Nederlands genoemd worden. Misschien herken je er wel een paar direct al!

In ons geloof is Mohammed de belangrijkste profeet. Die komt niet voor in andere godsdiensten! Mohammed heeft ongeveer 1.400 jaar geleden geleefd, rond het jaar 600 dus. Hij kwam dus na Christus. De Islam is daarom iets later ontstaan. Nou ja, wij geloven ook in God als schepper, de eerste mens Adam en een heleboel van dezelfde profeten, maar Mohammed is bij ons erg belangrijk. Hij hoorde dat Allah de enige God was. Wij geloven wel dat Jezus (Hij heet bij ons Isa) bestaan heeft en belangrijk was, maar niet dat Hij ook Gods Zoon was. Het lijkt dus wel veel op elkaar, maar het is toch wel anders! Wij doen ook weer andere dingen en hebben andere gebruiken.

Volgende keer schrijf ik weer iets over mijn geloof voor jullie op. Groetjes! Soelaiman.’



Filmpje: (1 min).

Dit filmpje gaat over Mohammed.

Klik hier voor het filmpje
We gaan nu een filmpje kijken over Mohammed. Soelaiman schreef ons al iets over Mohammed. In dit filmpje wordt over hem verteld.

Letterlijke tekst uit de clip:
Hét grote voorbeeld voor de moslims is de profeet Mohammed. Een profeet is een soort leraar. Mohammed woonde ongeveer 1400 jaar geleden in Mekka, in Saudi-Arabië. Daar geloofden de mensen in die tijd in heel veel verschillende Goden. Maar Mohammed kreeg op de berg Hira, vlak buiten Mekka, de boodschap van een engel dat er maar één God was: Allah. Die Boodschap moest hij van de engel doorgeven aan alle mensen in Mekka. Mohammed deed dat en vanaf die tijd gingen er steeds meer mensen in Allah geloven.

Om over te praten (10 min).
Vragen om over te praten naar aanleiding van de brief van Soelaiman en het filmpje:
• Wie is God in de Islam?
• Wie is Mohammed?
• Waarin lijkt de Islam op het geloof van de Joden en Christenen?
• Waarin zit het verschil?



Namen uit de Koran (10 min. incl. bespreken).

Soelaiman had het in zijn brief over namen van profeten in de Koran. Eens kijken of wij ze in het Nederlands kunnen vertalen!


Noeh                      Yoesoef
Ibrahim                  Loeth
Isa                         Ya’qoeb
Musa                     Ayyoeb
Meryem                Dawud

Bespreken van de antwoorden:
Antwoorden:
Noeh – Noach; Ibrahim – Abraham; Isa – Jezus; Musa – Mozes; Meryem- Maria; Yoesoef – Jozef; Loeth; Lot; Ya’qoeb – Jakob; Ayyoeb – Job; Dawud – David.

De leerkracht kan bij deze personen vragen of de kinderen weten wat voor verhaal hier bij hoort. Dit hoeft niet bij elke persoon.

Islam - les 2

Les 2
Richtlijnen in de Koran: Vijf pijlers.


Voor de leerkracht: achtergrondinformatie.

De vijf pijlers in de Islam zijn:

1 De geloofsbelijdenis (Shahadah)
2 De rituele gebeden (Namaz, Salat of Salah)
3 Het geven van aalmoezen (Armenbelasting, zakaat of Zakah)
4 Het vasten tijdens Ramadan
5 De pelgrimstocht naar Mekka (Hadj)
(De Vijf pijlers van de Islam, geen datum).

Deze vijf pijlers worden ook wel de vijf zuilen genoemd.
Naast deze vijf pijlers (zuilen) staan er in de Islamitische geschriften meer zaken voor gelovigen, als richtlijnen voor hun leven.

De Koran bestaat uit Soera’s (verzen), en er is ook een Hadith: geschriften die gaan over de manier van leven – de weg ten leven (soenna).
Aan de Koran wordt goddelijke openbaring toegekend door de moslims, aan de soenna (Hadith) niet: dit is mensenwerk (maar wel in lijn van de bedoeling van de Profeet).




Voor de kinderen: les 2.

Start en kern: Filmpje en vragen (10 min).

Dit filmpje gaat over de vijf zuilen:
Vertel de kinderen dat we zullen kijken naar een filmpje over de belangrijkste dingen die je als Moslimgelovige moet doen.

Klik hier voor het filmpje


Vragen naar aanleiding van het filmpje:

• Welke leefregels zijn belangrijk voor de moslims?
• Welke leefregels vind jij daarvan ook erg belangrijk om zelf te doen?
• Wat kun je hier van leren?
• Wat voor regels heb je bij de Joden en Christenen? En hoe heten de regels bij de Moslims? (Tien geboden, Vijf zuilen).

Afsluiting: Brief van Soelaiman (5 min).

Hoi! Weer een brief van mij, Soelaiman. Jullie hebben net een filmpje gezien over de vijf zuilen. Nu weten jullie wat de belangrijkste regels zijn in mijn geloof.
Daarnaast kennen jullie vast nog wel andere gebruiken in ons geloof?
Ik noem een bekend voorbeeld: vrouwen dragen vaak bij ons een hoofddoek. Hiermee willen ze laten zien dat ze geloven en dat ze de schoonheid (hun haren) alleen willen laten zien aan hun echtgenoot. Niet iedereen doet dit op dezelfde manier, misschien weet je dat ook wel uit jouw omgeving. Niet elk meisje of elke vrouw draagt een hoofddoek.

Er zijn ook best grappige richtlijnen in ons geloof: bijvoorbeeld dat je met je rechtervoet de deur uit stapt en je daarbij de soenna herinnert. De soenna is de manier van leven. Als je dus je deur uit stapt, denk je aan dat je moslim bent en dat kun je op die manier laten zien.
Zo zijn er best wat gebruiken in de Islam. Maar de belangrijkste zijn die vijf zuilen, daar is elke moslim het mee eens!

Ik ben zelf nog te jong om alles goed te doen, maar ik probeer al wel goed mee te doen met de regels. Het is fijn om samen Ramadan te beleven, we kunnen dan elkaar tot steun zijn als we niet eten (vasten). Aan het eind kunnen we een groot feest vieren, het Suikerfeest. Maar het belangrijkst is dat ik Allah eer met wat ik doe, want Hij is belangrijk in mijn leven.
We gaan ook naar de moskee, daar krijg ik weleens les. Eigenlijk een soort schooldag. Maar dan geen rekenen of biologie. Wel iets met taal: het Arabisch. Zo kan ik leren om de Koran in het Arabisch te lezen en preken in het Arabisch te luisteren. Thuis spreken we het af en toe, maar niet altijd.

Nu weet je weer een beetje meer over de moslims en de regels die hierbij horen.
De volgende keer gaat het over een van de vijf zuilen: de zakaat. Dit is goed zijn voor mensen die het niet zo goed hebben als jij zelf. Eigenlijk een soort ‘naastenliefde’ dus!

Groetjes, Soelaiman.

Islam - les 3

Les 3

Voor de leerkracht

Zakaat, een van de vijf pijlers in de Islam

Voor wie is de zakaat (aalmoezen geven) bedoeld? Hieronder volgen drie verzen over aalmoezen geven.

‘Voorwaar, de zakaat is slechts voor de armen en de behoeftigen en de werkenden (aan de inzameling ervan) en de Mu`allaf en voor (het vrijkopen) van de slaven, en de schuldenaren en om (uit te geven) op de Weg van Allah en voor de reiziger (zonder proviand), als een plicht tegenover Allah. En Allah is Alwetend, Alwijs.’
(Q.9:60)

‘Neem van de bezittingen de zakaat, jij reinigt en zuivert hen daarmee (O Muhammed), en verricht een smeekbede, want jouw smeekbede is een geruststelling voor hen. En Allah is Alhorend, Alwetend. En weten zij dan niet dat het Allah is Die het berouw aanvaardt van Zijn dienaren en Die de zakaat aanvaardt en dat Allah de Vergevensgezinde, de Meest Barmhartige is?’
(Q. 9:103-4)

‘O jullie die geloven! Maak jullie liefdadigheid niet ongeldig door op te scheppen of door te kwetsen, zoals degene die van zijn eigendom geeft om op te vallen bij de mensen...’ (S2/V264)

(De Vijf pijlers van de Islam, geen datum).

Moslims geven aalmoezen aan mensen die behoeftig zijn. Dit kan breed getrokken worden.
De zakaat is een vorm van naastenliefde voor de moslims die iedereen hoort te doen, maar daarnaast wordt van moslims verlangd dat zij in hun dagelijks leven goed zijn voor anderen op allerlei manieren.

Bij deze les heeft u A3/A2 papier nodig (zie les).

Voor de kinderen


De Zakaat (20 min).

De zakaat. Dit is een van de vijf zuilen.
  • Wie weet nog welke zuilen er waren?
  • Wat was de zakaat? Een tip: het had te maken met goed zijn voor een ander (naastenliefde).

Een daad van zakaat kun je het wel noemen, als je iets goeds voor een ander doet. Het heeft niet altijd met aalmoezen te maken, het is niet altijd geld geven.
We verzamelen voorbeelden en maken een grote poster over de zakaat:

Materiaal: A3 of A2 papier per groepje.
Groepjes: We verdelen de klas in groepjes van 4 kinderen.

In deze groepjes schrijft één kind op het vel: ‘Een daad van zakaat’.

Met z’n vieren bedenken we zoveel mogelijk daden die je voor anderen kunt doen.
Bij alles wat je opschrijft, probeer je ook iets ervan te tekenen.

Daarna bespreken we het: wat kunnen we hiervan leren?

Afsluiting: brief van Soelaiman en afspraken maken (5 – 10 min).

Hoi! Dit is mijn laatste brief aan jullie.
Jullie hebben daden bedacht hoe je een van de zuilen, de ‘zakaat’ kunt DOEN in je eigen omgeving. Ik wil jullie graag aansporen om thuis en in de klas hier mee te beginnen. Het is goed om naar elkaar om te kijken. Maak met elkaar afspraken over hoe je met elkaar om wilt gaan in de klas. Hang deze op in de klas! Zo kijk je naar elkaar om en zorg je voor elkaar.
Wij wensen elkaar in mijn godsdienst altijd ‘vrede’ toe. Ik zal hiermee afsluiten in mijn brief: Salaam Aleikum! (Vrede van God zij met jullie). Groetjes, Soelaiman.


Na deze brief volgen we de aansporing van Soelaiman op:

Klassikaal maken we afspraken over hoe we met elkaar om willen gaan. Dit kan naast de reeds gemaakte of ingestelde afspraken van de school komen te hangen. Probeer kernelementen te ontdekken en diepgang hierin aan te brengen.
Het is goed als er tussen de 5 – 8 afspraken gemaakt kunnen worden.

Dit wordt opgehangen naast de klassenregels. Dit noemen we ‘omgaan met elkaar’ of ‘naastenliefde-regels’.

Boeddhisme - Les 1

Achtergrond informatie voor de docent:
Dit is het hele verhaal van Siddharta Gautama. Het verhaal van de kinderen is de beknopte vorm ervan.
Siddhartha Gautama was een prins. Vanaf zijn geboorte hadden wijzen al voorspeld dat hij een groot heerser zou worden, of dat hij alle aardse goederen zou afwijzen en dat hij het Boeddhaschap zou bereiken. Met de beste spullen op aarde werd hij omringd, hierdoor zou hij geen ontevredenheid hebben of nare ervaringen opdoen tijdens zijn leven. 3 paleizen werden gebouwd door zijn vader, waar Siddharta Gautama, tot en met zijn 30 levensjaar, zijn tijd doorbracht. Daarna besloot hij het paleis te verlaten en naar de stad te gaan samen met zijn bediende. Daar kwam hij een dode en een zieke man tegen en zijn bediende legde hem uit dat dit ook bij het leven hoort. Daarnaast kwamen ze in de stad ook een monnik tegen, waarbij de bediende vertelde dat een monnik iemand is die vrijwillig zijn bezittingen afstaat en het leven eenvoudig leidt met een spirituele ontwikkeling. Gautama verliet kort daarna het paleis en ging als monnik verder leven in India. Na een aantal jaar ging op pad en leefde op weinig voedsel en deed aan zelfkastijding en zelfpijninging. Na 6 jaar zag hij dat dit niet naar de verlichting zou leiden, maar naar het einde. Hij bestloot een middenweg te kiezen en begon een meditatie onder een boom. Toen de zon weer opkwam had hij de verlichting bereikt en vanaf dat moment was hij Boeddha. Hij had toen een leeftijd van 35 jaar. Als spiritueel leider verkondigde hij toespraken en leringen aan de mensen. Na zijn dood, op 80-jarige leeftijd, werden deze leringen mondeling doorverteld. (Watson, 1997)

Over mediteren:
Mediteren is voor iedereen anders. De tijdstip, plek of houding kan verschillen per persoon. Bij mediteren kan het gaan om twee verschillende observaties.
- Je hebt objectgerichte meditaties. Bijvoorbeeld over het strand, bos enzovoort. Daarnaast als je de ademhaling bewust gaat bespreken, dan hoort dat hier ook onder.
- objectvrije meditaties. Hierbij is het niet gericht op een object of figuur.
( Maitreya Instituut, 2001)

Materialen:
- Meditatiemuziek
- Een plek om te mediteren.
- Matjes waarop de kinderen kunnen zitten
- De brief


Koppeling met het Christendom.
Vandaag ging het over bezinning. Zoals Siddhartha zich terug trekt voor een bepaalde tijd, zo trekt Jezus zich ook terug. Er wordt niet duidelijk gemaakt waarom Jezus precies de woestijn in ging. Er zijn mensen die denken dat hij zich wilde bewijzen dat hij voor God wilde lijden. Dat zelfs na een tijd te lijden hij sterk genoeg is om vol te houden en dat hij zich niet zou laten verleiden door de duivel. Daarnaast zijn er mensen die geloven dat hij wilde laten zien dat Jezus zonder zonde zou zijn. Maar duidelijk is het niet.
Bij Siddhartha ging het om een levenswijze ondervinden. Hij wilde de verlichting bereiken en hij dacht dat door te vasten dit bereikt zou worden. Hij kwam erachter dat dit hem niet naar de verlichting zou brengen is gaan mediteren.

Het enige wat duidelijk is beschreven is dat Jezus en Siddhartha aan het vasten waren. Dit is een overeenkomst met betrekking tot het onderwerp bezinning.

Als je als Boeddhist de verlichting hebt bereikt, dan heb je de nirwana ook bereikt. Dit betekent dat je het geluk hebt gevonden. De gevoelens van haat en angst zijn weg. Dit zou vergeleken kunnen worden met de hemel. Dit is een ‘plek’ waar er ook geen pijn, haat, verdriet en angst is. Je kunt door goed als Christen te leven de hemel bereiken. Het verschil tussen deze twee is dat je nirwana tijdens het leven kunt bereiken. De hemel zal je pas bereiken als je bent overleden. Wel moet je in beide gevallen het waar maken tijdens je leven.


Inleiding:
De leraar leest het volgende verhaaltje voor:

Hallo, ik ben Lungtog. Mijn naam betekent leren. Wij, als Boeddhisten hebben veel geleerd van de Boeddha Siddharta Gautama. Hij is de oprichter van het Boeddhisme en daarom zal iets over hem vertellen.
Siddharta was een prins en zijn familie was rijk. Hij kon alle spullen krijgen die hij maar zou willen, maar dat wilde hij niet. Hij ging weg uit het paleis en kwam een monnik tegen. Die vertelde hem dat hij al zijn bezetting wegdeed, een eenvoudig leven lijdt en mediteert. Kort daarna verliet Siddharta het paleis en werd monnik in het klooster. Tijdens het mediteren kon Siddharta helemaal tot rust komen. Hij is gaan mediteren onder een boom en in de avond en toen het ochtend was had hij de verlichting bereikt. Toen hij de verlichting had bereikt, was hij Boeddha. Hij vertelde aan mensen hoe zij de verlichting konden bereiken en hij zei hij je moest leven om een goede Boeddhist te zijn. De verlichting is dat je verlangens loslaat, het is een bevrijding van alle negatieve gedachtes.
Soms mediteer ik ook als ik bijvoorbeeld rust nodig heb. Ik ga zitten op een klein matje en denk nergens aan. Het is de bedoeling dat je niet naar gedachtes op zoek gaat. Je mag niet expres gaan denken aan een vakantie. Je kan wel bijvoorbeeld gaan letten op je ademhaling of luister goed naar de muziek. Soms zit ik maar tien minuten te mediteren en soms wel uren te mediteren. De verlichting heb ik nog niet bereikt, maar als ik wat ouder ben gaat het mij lukken.

Verwerking
Samen met de kinderen zal er worden gemediteerd. Er kan zelf worden gekozen voor een objectiegerichte of objectvrije meditatie. Het zou fijn zijn als elk kind een eigen matje kan krijgen. Een gymzaal met matten zou ideaal zijn. Het klaslokaal kan ook geschikt zijn, als de kinderen dan maar op de grond kunnen zitten. In kleermakerszit zullen zij gaan mediteren met op de achtergrond muziek. De muziek wordt aangezet en de kinderen kunnen dan rustig gaan worden. Er kan gegiechel ontstaan. Om dit te voorkomen kan er worden gekozen om de kinderen even vijf minuten te geven om even te ontdekken wat zij gaan doen en vertel dat de kinderen na de vijf minuten helemaal stil moeten zijn en dat het echte mediteren begint. Beslis zelf hoelang het mediteren gaan duren. Sluit af wanneer er te veel concentratie verloren gaat.

Afsluiting:
Bespreek even met de kinderen wat zij er van vonden. Laat ze ontspannen zitten op hun mediatieplek. Wat voelden ze tijdens het mediteren en is het gelukt om te ontspannen?

Boeddhisme - Les 2

Achtergrond informatie voor de docent:
Een boeddhist heeft vijf richtlijnen, waar hij zich aan houdt. Het zijn de vijf voorschriften.
1. Je mag anderen niet doden of beschadigen.
2. Je mag geen dingen meenemen, die je niet hebt gekregen.
3. Je moet verstandig en zuiver leven.
4. Je mag niet onvriendelijk of oneerlijk spreken.
5. Je mag geen verdovende middelen of alcohol gebruiken.

Boeddhisten geloven dat je gelukt kunt vinden door voor andere mensen te zorgen en je jezelf niks gunt. Het eerste wat boeddhisten leren is dat zij vriendelijker zijn naar anderen, dan naar hun zelf en om eenvoudig te leven. Ze leren mediteren, dit kunnen zij gebruiken voor het groeien en het ontwikkelen van zichzelf. Boeddhisten bezoeken tempels en of heiligdommen om te Boeddha te eren en te mediteren met andere boeddhisten.
In de tempel worden de vijf voorschriften voor goed gedrag gezongen. Ze buigen en offeren bloemen, wierrook en voedsel voor een Boeddha beeld. Uit de heilige boeken lezen zij en spreken gebeden uit.
Als zij een tempel bezoeken, lopen zij met de klok mee om het heiligdom. Een grote gebedsmolen draait in hun handen, wanneer zij lopen. In iedere molen zit een rol papier waarom honderden gebeden staan geschreven. Zij geloven dat als je te molens laat draaien, dat zo de gebeden de wereld in worden gestuurd. Op vlaggen, die wapperen vanaf het dak van iedere Tibetaanse tempel, staan ook gebeden geschreven. Ook hierdoor worden de gebeden de wereld in gestuurd.
Een voorbeeld van een gebed is:
Mogen alle wezens gelukkig zijn,
Of ze nu zwak of sterk zijn,
Lang, breed of gemiddeld, klein of groot.
Mogen alle wezens zonder uitzondering gelukkig zijn.
Of ze nu wel worden gezien of niet. Of ze nu dichterbij
leven of ver weg.
Geboren zijn of nog geboren moeten worden.
Mogen alle wezens gelukkig zijn.
(Watson, 1997)

Materialen:-
- Kleed/ doek
- Stiften die op stof kunnen schrijven
- Pen en papier
- De brief

Koppeling met het Christendom
Vandaag gaat het over drie aspecten die wij kunnen koppelen met het Christendom. Hierbij gaat het om de voorschriften, de gebeden en om de tempel. De vijf voorschriften zijn bedoeld om aan te houden tijdens het leven. Als je ook deze regels volgt, dan kan je de verlichting bereiken. Bij het Christendom kennen wij de tien geboden. Daarnaast herhaalt Jezus de tien geboden regelmatig in het Nieuwe Testament. Met vele gelijkenissen probeert hij de geboden duidelijk te maken naar het volk of naar de schriftgeleerden. Als de tien geboden worden nageleefd, dan zul je de hemel kunnen komen. Een Bijbeltekst hierbij is Marcus 12:28-31
De tempel is een plek om tot rust te komen en om te mediteren. En om te bidden. Het is een plek waar rust heerst zodat mediteren goed kan worden uitgevoerd. De tempel is een plek waar je heen kunt gaan, maar niet per se heen moet om Boeddhist te kunnen zijn. In de Bijbel wordt ook gesproken van tempels. Salamo laat de eerste tempel bouwen. Hij beschrijft de tempel als een ontmoetingsplaats. Hier kan je samenkomen met God. Tegenwoordig hebben de Christenen kerken, maar zijn gebouwd met dezelfde gedachte met betrekking tot het samenkomen van God.
De gebeden die zij in de wereld sturen door de verschillende manieren, komen uit henzelf. Zij kunnen hierbij de inspiratie van Boeddha gebruiken, maar zij zeggen niet die gebeden op richting Boeddha. Je kunt bidden voor tevredenheid, voor een goede gezondheid enzovoort. Zowel voor jezelf als voor anderen. Christenen kunnen voor dezelfde redenen bidden, maar bidden dan wel naar God. Zij vragen hem om bijvoorbeeld om op de gezondheid te passen.


Inleiding:
Het volgende verhaal wordt voorgelezen.
Hallo, ik ben Jamgon. Mijn naam betekent vriendelijke beschermer. Als Boeddhist moet ik anderen beschermen in mijn leven. Boeddha heeft voor ons regels gemaakt waar wij aan moeten houden. Als je aan deze regels houdt, kan je de verlichting bereiken. Er zijn er totaal 5 regels.
1. Je mag anderen niet doden.
2. Je mag geen dingen meenemen, die je niet hebt gekregen.
3. Je moet nadenken over wat je in je leven doet.
4. Je mag niet onvriendelijk zijn tegenover andere mensen.
5. Je mag geen alcohol drinken.

Het is de bedoeling dat je ander belangrijker vindt dat jezelf.
Ook gaan wij naar de tempel. Als wij daar komen, lopen wij eerste een rondje om de tempel. Dan hebben wij een molen bij ons. In de molen zit een rol met allemaal gebeden. De molen draait en wij geloven dat dan de gebeden met de wind wordt meegenomen.

Een gebed is:
Mogen alle wezens gelukkig zijn,
Of ze nu zwak of sterk zijn,
Lang, breed of gemiddeld, klein of groot.
Mogen alle wezens zonder uitzondering gelukkig zijn.
Of ze nu wel worden gezien of niet. Of ze nu dichterbij
leven of ver weg.
Geboren zijn of nog geboren moeten worden.
Mogen alle wezens gelukkig zijn.


Verwerking

Er zal een kleed worden gemaakt met mooie uitspraken. De uitspraken mogen gericht zijn op iets, op iemand of die mogen zomaar worden geschreven. De kinderen mogen zelf allemaal mooie teksten bedenken. Het aantal zinnen maakt niet uit. Ook het onderwerp maakt ook niet uit, maar stimuleer de kinderen wel tot schijven van teksten over het leven of over geloof en niet over hun paard. Als zij vinden dat zij klaar zijn, schrijven ze het op een blad en mogen zij op het grote kleed de teksten schrijven. Deze kan je ophangen in de klas. Het zou leuk zijn als ze waaien. Ook kan je besluiten om het kleed mee te nemen naar buiten en dan de teksten mee te laten gaan met de wind.

Afsluiting:
Laat elk kind zijn eigen gedicht opzeggen. Het gedicht hebben zij als het goed is ook op een blad staan. Zij mogen eventueel complimenten geven aan elkaar. Het kleed kan samen met de kinderen worden opgehangen, of dit wordt door de leerkracht of door enkele leerlingen.

Boeddhisme - Les 3

Les 3

Achtergrond informatie voor de docent:
In veel boeddhistische landen, zoals in Thailand en Birma, brengen jongens een aantal maanden door in een klooster. Dit is een deel van hun opvoeding. Zij gaan in fijne zijde kleding op een wit paard, op weg naar het klooster. Als zij daar aankomen, wordt hun hoofdhaar afgeschoren. Zij krijgen eenvoudige oranje gewaden aan. Dit wordt gedaan, omdat zij zich dan geen zorgen maken om hun uiterlijk. Want uiterlijk is niet belangrijk. Zij leren in het klooster over Boeddha, maar krijgen daarnaast ook de gewone schoolvakken. Als zij klaar zijn kunnen zij of terug naar huis of blijven zij in het klooster om monnik te worden.

Als zij een monnik worden, mogen zij acht voorwerpen bezitten. Met noemt ze de acht benodigdheden. Ze werden door de Boeddha zelf bepaald. :
- Saffraangele, kastanjebruine of zwarte gewaden
- Bedelnap ( kom om voedsel in te doen)
- Riem
- Scheermes
- Naald
- Waterfilter
- Wandelstok
- Tandenstoker.

Zij leren nog meer over het geloof en helpen daarnaast in het klooster en bij het organiseren van feesten en vieringen.
(Watson, 1997)

Materialen:

- Kaartjes met daarop de opdrachten.
- De voorwerpen die op de kaartjes staan
- Een plek om het spel te spelen
- De brief


Koppeling met het Christendom.
Jongens van Boeddhisten gaan naar het klooster. De meisjes niet. Bij de Christenen wordt er nog wel onderscheid gemaakt tussen de jongens en de meisjes, maar bij de meeste stromingen binnen het Christendom zijn de twee seksen gelijk. Het is ook per stroming verschillend wat er van de kinderen wordt verwacht. Protestantse kinderen worden gedoopt en kunnen als ze volwassen zijn kiezen voor het geloof door belijdenis te doen. Hier gaat vaak wel een traject vooraf. In dit traject wordt bijvoorbeeld verder ingegaan op het geloof en worden de jong volwassenen aan het denken gezet over hun geloof. Wat is geloof en wat geloven zij eigenlijk. Bij de Katholieken kunnen de kinderen hun communie doen. Zij zijn dan rond de zeven a acht jaar. Als kind wordt je daarna betrokken gemaakt bij de diensten in de kerk.
Bij de Katholieken en bij de Boeddhisten worden de kinderen actief betrokken. Bij de Protestanten is dit per kerk afhankelijk. Sommige kinderen zullen daar wel betrokken zijn bij de dienst, maar er zullen ook kerken zijn waarbij kinderen geen rol hebben. Wel vertelt Mattheus 19: 13 en 14 dat Jezus zegt dat alle kinderen tot Hem mogen komen. Hier wordt geen onderscheid gemaakt tussen de jongens en de meiden.



Inleiding:
Hallo, ik ben Geway. Ik ben 9 jaar en ik ga naar het klooster. In landen waar Boeddha heel belangrijk is, gaan de jongens een aantal maanden naar een klooster. Dit hoort bij de opvoeding. Op een wit paard en in zijde kleding gaan wij op weg. Mijn hoofdhaar wordt afgeschoren en ik krijg gewaden. Dit zijn een soort doeken die je om je lichaam heen draagt. Zo zien wij er allemaal hetzelfde uit. Volgens Boeddha maakt het niet uit hoe je eruit ziet. Het gaat om wie je van binnen bent. Het gaat er ook niet om wat je beroep is. Iedereen moet je helpen, als hij of zij dat nodig heeft. Iedereen, ook mensen die geen Boeddhist zijn of die niet in jouw straat wonen. Niet alleen mensen worden geholpen, maar ook dieren kunnen wel wat liefde gebruiken.
In het klooster krijgen wij veel te horen over Boeddha, maar krijgen ook les in andere vakken. Zoals taal, rekenen, enzovoort. Als wij naar huis mogen, mogen wij kiezen. Wij kunnen of wij naar huis gaan, of dat wij blijven. Ik wil graag blijven in het klooster.

Verwerking 1:
Verwerking 2 is een spel, mocht dit niet passen, dan is deze verwerking een optie. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de benodigheden die je als monnik nodig hebt. Vraag aan de kinderen wat je echt nodig hebt als je op een onbewoond eiland terecht komt. Zij mogen dan maximaal acht, want dat krijgt een monnik ook, voorwerpen noemen die zij nodig zouden moeten hebben. Als zij een lijst hebben gemaakt, dan wordt deze vergeleken met de lijst van de Monniken.

Verwerking 2
De verwerking is een spel waarbij het gaat om elkaar te helpen. Het gaat er ook bij om, dat zij iemand helpen die zij niet in een keer kunnen zien. Zodat het uiterlijk niet toe doet. Daarnaast zijn er ook kaartjes voor kinderen die een dier voorstellen. Dieren moeten ook worden geholpen volgens Gautama.
De bedoeling is als volgt. De klas wordt in tweeën gesplitst. De ene groep moet worden geholpen en de andere groep gaat helpen. Elke leerling uit de eerste groep krijgen een kaartje (zie bijlage), waarop zijn ‘probleem’ op staat en een woord die zij moeten roepen. Daarnaast staat ook de oplossing op het kaartje. Komt dus een kind met het juiste voorwerp/ de oplossing, dan is het kind geholpen.
De kinderen met een kaartje, verspreiden zich. Het zou het leukste zijn als zij zich kunnen op een plek waar het aardig donker is of beschut. Denk aan een bos of aan een gymzaal met allerlei attributen. De kinderen die zich hebben ‘verstopt’ roepen steeds het woord, dat zij op hun kaartje hebben staan. De andere kinderen kunnen nu op het geluid af gaan. Als zij bij een kind komen, is het de bedoeling dat zij het probleem proberen te achterhalen. Dit kunnen zij doen door te vragen wat er aan de hand is. Daarna moeten zij naar een oplossing zoeken. Verschillende oplossingen zijn te vinden in een kist. Per probleem is er een oplossing. Dit kan in de vorm zijn van een echt voorwerp, of kan ook een kaartje zijn. Als een kind is geholpen, dan mag hij opstaan en naar een afgesproken plek gaan. Het is niet de bedoeling dat zij mee gaan helpen. Als alle kinderen de juiste hulp hebben gehad, dan is het spel afgelopen. Dan kan er worden gewisseld. Dan gaat groep 2 zich verspreiden en gaat groep 1 hulp bieden. Dit stopt ook weer als iedereen is geholpen.

Uitbreiding/ extra:
Voor groep 5 is een kist met de oplossingen een uitkomst, maar voor groep 6 zou je ook de kinderen zelf kunnen laten zoeken naar oplossingen. Deze kunnen zij dan bijvoorbeeld zoeken in de school.
Voor groep 7/8 kan het nog lastiger. Je zou zelfs probleemsituaties kunnen neerzetten wat met Boeddha te maken heeft.

Dit ben ik:
Je hebt gelezen over het achtvoudige pad van Boeddha. Je wilt weten wat dit betekent.
Dit roep ik:
Acht

Voor alle groepen geldt, dat er kan worden toneelgespeeld. Je kunt ook stellen dat de kinderen eerst moeten raden wat er aan de hand is met de mens, dier of plant. Door vele keren te gokken, zal er uiteindelijk een goed antwoord kunnen komen. Het nadeel is wel dat het spel langer duurt. Als een mens, dier of plant niet wordt geraden en de hele klas heeft al geholpen met raden, dan kan hij/ zij uiteindelijk vertellen wie hij/ zij is.

Hindoeïsme - Les 1

Les 1
Richtlijnen in het Hindoeïsme

Voor de leerkracht:


Grondgedachten
Het hindoeïsme gaat uit van eeuwenoude geschriften, de Veda’s. Er zijn drie belangrijke grondgedachten die aangeven hoe een mens zou moeten leven.

1. De uitwerking van de daden die je in je leven doet, houdt niet op bij de dood. Dit wordt karma genoemd.
2. De mens wordt geboren op een bepaalde plaats in de samenleving. Hij moet de plichten vervullen die bij die plaats horen. De verschillende delen van de samenleving heten kasten. Deze indeling is in 1950 officieel afgeschaft, maar nog steeds is de indeling in kasten voor de hindoes belangrijk.
3. Een ziel wordt steeds weer geboren in een nieuw lichaam. Dit wordt wedergeboorte genoemd. Door goed te leven komt de ziel steeds dichter bij het eeuwige geluk. Uiteindelijk stopt het reïncarnatieproces. De ziel bereikt dan moksa – dat betekent eeuwige rust en geluk – en gaat terug naar het Opperwezen Brahma

Er zijn vier manieren om de moksa te bereiken. Iedere hindoe mag zelf kiezen wat voor hem of haar een goede manier is:
- via heel veel bidden
- via studeren met hulp van een goeroe (een deskundige in het hindoeïsme)
- via goede daden (vergelijkbaar met de tien geboden in het christendom)
- via meditatie en yoga.

Voor de kinderen

Inleiding:
Brief van Ramon

Hallo, ik ben Ramon. Ik ben een Hindoe. Mijn naam betekend wijs en beschermer.
Je kan niet zomaar een Hindoe worden, je kan alleen maar geboren worden als Hindoe. Het Hindoeïsme heeft geen heilig boek of een stichter. Wel kennen we geschriften, de Veda’s, die veel kennis bevatten en vele Hindoes geloven dat ze door God geschonken zijn aan de mensheid.

We leven volgens de regels uit je groep, dit noemen we ook wel kaste, en afkomst. Als je in een groep zit kun je niet naar een hogere of lagere groep. We geloven dat je na je dood opnieuw wordt geboren, dat noemen we samsara. Als je slecht leeft heeft dat gevolgen voor je volgende leven, want dan kan je wel naar een lagere groep. Als je goed leeft, kan je in een hogere groep komen. Het doel van ons leven is ontsnappen aan de samsara, dus niet meer opnieuw geboren willen worden.
Dit kun je doen door veel te bidden, te studeren met hulp van een goeroe, via goede daden of via meditatie en yoga.

In mijn volgende brief zal ik iets meer vertellen over vereren van goden en dieren.

Groetjes, Ramon


Verwerking:
Bekijk het filmpje over de veda’s: Klik hier voor het filmpje

Lees het volgende verhaal voor:

De goedhartige pelgrim
Een hindoeïstisch verhaal over de god Krishna
In Udipi staat een beroemde tempel gewijd aan de god Krishna. Jaarlijks is deze een trekpleister voor duizenden bedevaartgangers. Lang geleden besloot een groep dorpelingen ter bedevaart naar deze heilige plek te reizen om daar Krishna Janamashtmi (de geboorte van Krishna) te vieren.

Onder de pelgrims bevond zich ene Gopal Adiga. Terwijl ze onderweg waren, merkte deze Gopal dat een oud vrouwtje een eindje met hen opliep. In haar handen droeg zij een rotte spitskool. Hij vroeg haar: "O moedertje, waarom loop je rond met een verrotte spitskool? Die is toch niet meer geschikt om te koken en te eten?"

Het oude vrouwtje pinkte een traan weg en antwoordde: "Wat wil je dat ik doe, mijn zoon. Ik heb thuis drie dochters die al drie dagen niets gegeten hebben. Ik zal van deze kool een soepje voor hen koken. Ik ben vreselijk arm en mijn leven is me eerder een last dan een lust. Hoe het ook zij, mijn kinderen zal ik blijven voeden."
Het hart van Gopal was gesmolten. "Ik was van plan om Krishna in de tempel van Udipi te vereren. Het geld dat ik aan hem wilde offeren zal ik jou geven. Je kunt er boodschappen mee doen en behoorlijk eten voor je dochters koken." De oude vrouw was zeer verrast met deze mildheid. Verheugd nam ze het geld aan en na afscheid te hebben genomen, ging ze haar eigen weg.

Gopal had nu geen geld meer om naar Udipi te gaan. Hij brak zijn pelgrimstocht af en keerde huiswaarts. Diezelfde nacht had hij een droom, waarin de god Krishna zich aan hem openbaarde. Hij sprak tot zijn aanbidder: "Terwijl jij op weg was naar Udipi, ben ik in de gedaante van een oude vrouw verschenen. De andere pelgrims die in jouw gezelschap waren namen niet eens de moeite om mij aan te kijken. Jij alleen was zo goed om naar het trieste relaas van mijn armoede te luisteren. Je schonk mij al jouw geld, waardoor je de bedevaart niet kon volbrengen. Om mijn zegen te ontvangen is het echter geen noodzaak om naar heilige tempels te reizen. Degene die oprecht is in zijn liefdadigheid en toewijding, op hem rust altijd mijn zegen, waar hij zich ook bevindt. God is overal aanwezig. Het zijn de onwetenden die menen dat ze de een of andere bedevaartplaats moeten bezoeken om hem te vinden. Ik ben uiterst tevreden met jouw toewijding, mildheid en liefdadigheid. Jij zult altijd mijn gunst en bescherming genieten."
(Bron: "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.)

Bespreek het verhaal met de kinderen. Welke vergelijkingen kunnen de kinderen maken met het Christendom? Wat zouden zij doen? Waarom is het belangrijk voor een Hindoe om goede daden te doen?

Hindoeïsme - Les 2

Les 2

De Heilige Koe

Voor de leerkracht:
De meeste hindoes zijn vegetarisch, ze eten geen vlees. Hindoes die wel vlees eten, eten in ieder geval geen rundvlees.
Koeien en stieren zijn heilig. Koeien zijn het symbool van vruchtbaarheid en goede voeding. De stier is in de heilige verhalen het vervoermiddel van de oppergod Shiva. Hindoes zorgen goed voor hun heilige dieren. Soms worden de hoorns beschilderd of versierd met koperen hoedjes. Ook mogen de dieren vrij rondlopen door de stad. Je mag deze dieren niets aandoen, dan krijg je problemen met de mensen die de koe als heilig zien.
De heilige koe is ook het symbool van de moederschap en naastenliefde. Vooral vroeger tijdens hongersnoden kwam de waarde van de koe tot uiting, kinderen hielden zich toen vaak in leven door het drinken van de melk. De koe kan ook geïdentificeerd worden met de Ahimsa, "het afzien van het berokkenen van schade".

Materialen:
- filmpje over de heilige koe (hieronder op te klikken wanneer het aan bod komt)
- tekenpapier
- kleurpotloden / stiften
- verf

Voor de kinderen

Inleiding:
Brief van Ramon

Hallo, hier ben ik weer, Ramon. In de vorige brief had ik het over het Hindoeïsme. Hoe je het wordt en hoe we leven. Nu ga ik jullie iets meer vertellen over de goden, of eigenlijk over God.
Veel mensen denken dat het Hindoeïsme polytheïstisch is, dus geloven in meerdere goden. Maar dit is niet waar. Hoe zit het dan? Dat ga ik je vertellen!
Hindoes geloven in 1 God, Brahman. Maar God kan op veel manieren worden voorgesteld of vereerd, zoals Brahma (schepper), Vishnu (beschermer), Shiva (vernietiger van het kwaad) enzovoort. Elke God heeft zijn eigen symbolen voor hun speciale krachten. Ze vertonen ieder een kant van de God Brahman. Iedereen is hier vrij in het vereren van een God. Wij bidden niet zoals jullie doen. Naar een tempel gaan is ook niet verplicht.

Daarnaast vereren we ook dieren. Vooral de koe is een heilig dier voor ons. Heel lang geleden toen er veel honger was, bleven kinderen leven doordat ze melk van de koe dronken! De koe wordt vergeleken met een moeder. Ze is zorgzaam en kan kinderen eten geven.

Wij eten daarom ook geen rundvlees. De meeste Hindoes eten helemaal geen vlees en zijn vegetariër, omdat ze respect hebben voor alles wat leeft en dus geen dieren willen doden.

In mijn volgende brief zal ik vertellen wat ik heb meegemaakt tijdens Divali.

Groetjes, Ramon


Bekijk met de kinderen het filmpje: Klik hier voor het filmpje

Het gaat erover dat de heilige koe uit het straatbeeld in India verdwijnt, maar de koe blijft wel een heilig dier. Daarnaast wordt aan mensen gevraagd hoe ze het vinden dat de koe niet meer vrij op straat mag leven.
Bespreek met de kinderen hoe ze erover denken. Suggesties voor vragen: wat vinden ze van het vereren van heilige dieren, hoe Hindoes dit doen, dat de heilige koe op straat niets mag worden aangedaan, enzovoort.




Verwerking:
De kinderen gaan nu nadenken over welk dier belangrijk is in hun leven. Bijvoorbeeld een hond, omdat als ik verdrietig ben, lekker met hem kan spelen. Bespreek dit met de kinderen, laat ze het vertellen welk dier en waarom. Laat hierbij kinderen in hun waarde en als ze het niet willen vertellen, respecteer dit. Laat de kinderen elkaar ook respecteren, dus er wordt niet geoordeeld of uitgelachen.
Hierna gaan de kinderen dit dier tekenen of schilderen. Het dier komt in de omgeving van het kind te staan (het waarom), dat kan zijn in huis, in een kamer, bij de voetbalvereniging enzovoort. Bijvoorbeeld de hond in de tuin, omdat hij daar graag met hem speelt.

Als de kinderen klaar zijn, bekijk je het werk met de klas. Geef het een mooi plekje in de klas.

Hindoeïsme - Les 3

Les 3

Divalifeest

Voor de leerkracht:
Het lichtfeest van de hindoes heet Divali. Het feest wordt gevierd aan het eind van de herfst als de nachten langer en kouder worden. In kleine bakjes van klei worden rolletjes watten gelegd waar opgewarmde geklaarde boter overheen wordt gegoten. Zo krijg je kleine olielampjes die "diya's" genoemd worden. Het altaar wordt klaargezet. In elk Hindoestaans huis is er zo'n altaar waar de afbeeldingen van verschillende hindoegoden op staan. En bij een feest horen natuurlijk mooie kleren. De hele familie gaat bij het altaar staan en zingt een lied voor Laksmi, de godin van rijkdom en geluk. Als de olielampjes zijn aangestoken worden ze door het hele huis verspreid. Er komt er één in de slaapkamer, één in de logeerkamer, één in de studiekamer, overal wordt een lichtje neergezet. Deze worden aangestoken en verdeeld door het hele huis om de godin, Lakhsmi, uit te nodigen om het huis te zegenen en de bewoners daarvan. En natuurlijk wordt er lekker gegeten.
Divali wordt in 5 dagen gevierd. Tijdens deze dagen komen de 5 filosofieën harmonieus naar voren. Elke dag heeft daardoor zijn eigen rituelen en mythes.

• De eerste dag is genoemd Dhanteras, deze valt op de 13e dag van de maand Ashwin. Het woord Dhan betekent rijkdom. Deze dag is heel belangrijk voor de samenleving.
• De tweede dag is bekend als Chotti Divali (kleine Divali), deze valt op de 14e dag van de maand Ashwin. De legende relateert deze dag aan koning Bali die de halfgoden gevangen hield.
• De derde dag van het feest Divali is de meest belangrijke dag van de Laxmi-puja, welke geheel in het teken staat van de godin Laxmi. Deze dag is ook bekend als Chopada-puja. Deze dag valt op de donkere nacht van Amavasya (donkere helft van de maand). Men gelooft dat op deze voorspoedige dag god Krishna zijn incarnatie heeft verlaten.
• De vierde dag is genaamd Padwa, welke de kroning van de koning Vikramaditya onderstreept. Op deze dag begon ook de Vikram-samvat: de jaartelling van de Hindoes.
• De laatste van de 5 dagen is bekend als Bhaiya-Dooj. Tijdens deze dag staat de liefde tussen zus en broer centraal. De broer gaat naar het huis van zijn zus om deze dag te vieren.

Materialen:
- Kom van klei met daarin olie en een pit
- filmpje: Klik hier voor het filmpje
- verhaal Ramon
- gekleurd ½ a4 papier
- kleurpotloden

Voor de kinderen

Inleiding:

Aan het begin van de les wordt het kaarsje aangestoken, de lichten gaan uit. Het verhaal van Ramon tijdens Divali wordt voorgelezen:

Hallo, hier ben ik weer. Ik heb iets heel bijzonders meegemaakt tijdens Divali, het lichtjesfeest van de Hindoes. Dit is mijn verhaal:

Het is nu bijna donker in de kamer. Door het laatste schemerlicht dat door de ramen naar binnen valt, onderscheiden de dingen zich nog vaag van elkaar. Ik zit diep weggedoken in de grote leunstoel. Ik heb mijn armen om m'n opgetrokken benen geslagen. M’n kin rust op m'n knieën, terwijl ik in het schemerduister van de kamer staart.

Alles ademt een sfeer van afwachting uit. Ik ruik dat de kamer schoon is op zo'n speciale manier, zoals het alleen op de avond van het Divali-feest kan ruiken. Vanuit de keuken dringen zachte geluiden door. M'n moeder is bezig met de laatste voorbereidingen voor de maaltijd. Straks zullen ze die gezellig met z'n allen gebruiken. Zonder vlees en zonder alcohol, want zo hoort het met Divali.
Maar eerst zullen de diya's ontstoken worden. In gedachten zie ik zijn moeder door de kamer gaan van de ene diya (kaarslampje, vaak drijvend in een bakje water) naar de andere. Tot ze allemaal branden en het hele huis verlicht is. M’n lichaam gloeit nog na van het bad dat ik genomen heb. Ik heb me geboend tot m'n huid er pijn van deed. Al het kwaad en lelijks heb ik van me afgewassen om straks rein Divali te kunnen vieren. En toch... diep van binnen in mij klopt 't niet... blijft het maar doorzeuren.

Ik voel de woede weer in me opborrelen. Ik ben bang, heel bang, omdat je met zoveel kwaadheid in je hart geen Divali vieren kan, vieren mag.
Het kwam allemaal door wat er deze morgen op school gebeurd was onder de handenarbeidles. Ze waren met klei bezig. M’n gedachten waren toen al bij het Divali-feest van die avond. Al mijmerend hadden m'n handen haast als vanzelf een diya-bakje gevormd. Ik zag m'n moeder er de ghee, de vloeibare boter, in doen met de lont van een gedraaide pluk watten. Op dat moment had een harde stem pesterig gezegd: "Zo Rampie, een asbak voor je pappie aan 't maken?" Ik had onmiddellijk geweten wie het was en in één beweging de klei bij elkaar geknepen en naar de kop van dat rotjong gegooid. Woedend was ik. Niet alleen om deze opmerking, maar om de reeks pesterijen waar ik geen weg mee wist.
En nu, nu moest ik dat kwade gevoel in mij overwinnen om aan het Divali-feest te kunnen deelnemen.

Ik staar nors de kamer in die nu haast helemaal donker is. Het is heel stil... en toch voel ik beweging. In de hoek tegenover mij maakt zich heel langzaam een schaduw los en zweeft mijn kant op. Ik volg de donkere gedaante met mijn ogen en ontdek tegelijkertijd overal het zachte schijnsel van diya's. Ik tril en kijk in het gezicht van een oude man in een lang wit gewaad, die mij wenkt. En er is meer... De diya's dansen op en neer en dan... dat kan toch niet. Ik zie hoofden, brandende diya-hoofden met gezichten van jongens en meisjes. Als in een mist trekken ze aan me voorbij.
En zonder dat er iets gezegd wordt, weet ik dat al die zwevende hoofden een opdracht hebben: de diya mag niet uitgaan.

De oude man wenkt mij weer. Plotseling merk ik, dat ook ik een diya ben en meedans in de massa: op en neer, om elkaar heen, ronddraaiend in een grote zwevende zwerm. Naast mij herken ik gezichten van kinderen uit m'n klas. Ze gaan aan me voorbij zonder herkenning. Plotseling stokt mijn adem. Daar danst het gezicht van die jongen die mij altijd dwars zit. Ik tuur door het dansende lichtgordijn en kan alleen nog maar naar die ene diya staren. Als hij dichterbij komt, zie ik dat er klodders klei langs het gezicht naar beneden lopen als een niet te stuiten stroom. Ineens kiert de kamerdeur open. Een zucht wind vliegt door de ruimte. De diya's flikkeren. Vlak bij de deur doven er een aantal. Mijn adem stokt... ze verdwijnen... weg... De gezichten die erbij horen zijn gewoon weg, verdwenen in het niets.

Ik raakt in paniek en beweeg me wild in de richting van de deur. Ik zie het vertoornde gelaat van de oude man, die ook naar de deur wijst. Ik voel dat ik er snel moet zijn. Dan... nee, de diya met het kleigezicht voor me flikkert en – ik schreeuw - het mag niet. Hij gaat uit, alleen het puntje gloeit nog na. De schaduw van de oude man hangt over me heen.
Ik schiet naar voren en heb maar één gedachte: de diya weer doen opflakkeren voordat het gezicht verdwenen is. Ik voel een hand op mijn schouder, laat me vallen tegen de nog nagloeiende diya en... 't lukt. Hij brandt en opeens is de kamer een en al licht.

Ik zie m'n vader en m'n moeder en alle anderen. Ik voel zich van binnen heel warm en rustig worden. "Kom jongen, we gaan Divali vieren," zegt m'n moeder.
Ik weet dat het nu kan. Ik voel me fijn, want Divali is de overwinning van het licht op de duisternis, de overwinning van het goed op het kwaad, de overwinning van de kennis op de onwetendheid, de overwinning van de waarheid op de onwaarheid.
Morgen zal ik een diya meenemen voor de jongen met het kleigezicht. Ik zal hem alles vertellen over dit feest en is er zeker van dat het goed zal komen.

Ik hoop dat jullie ook het kwaad kunnen overwinnen en er iets goeds van kunnen maken.

Dit was mijn laatste brief aan jullie. Hopelijk hebben jullie veel geleerd van mij en mijn godsdienst!

Groetjes, Ramon.


(bron: "Feestverhalen uit verschillende culturen" samengesteld door Jos van Hest/Saskia van der Valk. Uitgeverij J.H. Gottmer / H.J.W. Becht BV, 1996)

Verwerking:
Het filmpje wordt bekeken over het divalifeest: Klik hier voor het filmpje
Divali staat in het teken om elkaar iets goed toe te wensen, zoals geluk, en om mensen te vergeven, zodat je . In het Hindoeïsme is dit een vorm van naastenliefde.
Tijdens het Divali feest sturen Hindoes gelukskaarten naar elkaar toe. Net als wij met Kerst kerstkaarten naar elkaar toe sturen. Op deze kaarten wensen ze elkaar een geluksgroet toe.

De kinderen krijgen een half A4'tje in de kleur waarin zij dat willen. Zij mogen aan de slag met het tekenen van de kaart. Op de kaart kunnen de volgende teksten worden geschreven:
- Moge alles voor ons voorspoedig zijn
- Moge de vriendelijkheid verbreid worden
- Moge het leed van de wereld verdwijnen
- Moge uw hele familie gelukkig zijn


Afsluitende les

Materialen
·        Papier A3-formaat
·        Stiften/potloden

Inleiding
De leerkracht leest het volgende voor:
Weten jullie nog wie Eva is? Dat is dat meisje die alles wilde weten over de verschillende wereldgodsdiensten. Jullie weten nu heel veel over alle verschillende wereldgodsdiensten, dus dat kunnen jullie vast wel vertellen aan Eva. Jullie juf of meester verdeelt jullie zo in vijf groepen. Per groep krijg je een groot blaadje en stiften en/of potloden en een van de wereldgodsdiensten. Elk groepje gaat een andere wereldgodsdienst behandelen. Dit doen jullie door het maken van een poster die jullie daarna gaan presenteren.

Kern
De kinderen maken in groepjes posters over de verschillende wereldgodsdiensten. Hiervoor krijgen de kinderen ongeveer 30 minuten (afhankelijk van de groep). Ze mogen de materialen van de vorige lessen gewoon bekijken tijdens het maken van de poster, en kunnen zelf ook nog in boeken of op de computer dingen opzoeken, mocht hier de mogelijkheid in de klas voor zijn. Na 30 minuten mogen de kinderen per groepje hun poster presenteren, terwijl ‘Eva meekijkt’.

Afsluiting
De leerkracht leest het volgende voor:
Dankzij jullie weet Eva nu al veel meer over de verschillende wereldgodsdiensten. Maar Eva hoopt dat zij niet de enige is die er heel erg veel van heeft geleerd. Ze hoopt namelijk dat jullie nu ook wat weten over de verschillende wereldgodsdiensten en ze hoopt ook dat jullie het leuk vonden om deze lessen te doen!